Donau haar

Een verhaal letterlijk uit de oude doos dat, in een iet wat andere vorm, in mijn boek, Gewoon K is terug te lezen.

Mijn ouders waren net een stelletje toen mijn vader een ongeluk met zijn scooter kreeg. Hij was lekker aan het toeren op zijn scooter en zag niet dat er een vrachtwagen geparkeerd stond met de laadklep open; hij reed met een bloedgang de vrachtwagen in. Dit resulteerde, volgens mijn vader, tot het verlies van een merendeel van zijn haar. Wat overbleef van zijn weelderige haardos was een kransje van haar rondom zijn hoofd.

In die tijd was het totaal niet hip om met een bijna kale kop rond te lopen. Mijn vader was ten einde raad want hoe moest hij zich dan vertonen aan zijn verkering en de rest van de wereld? Gelukkig was er een oplossing: de toupet.

Mijn vader was niet voor een gat te vangen en kocht niet een, niet twee maar vier toupetten. Een zwarte met sluik haar , een zwarte met krullen, een grijze met krullen en een grijze met sluik haar. Knap, dat die man maling had aan wat men dacht over zijn dagelijks wisselende coupè.

De techniek in die tijd was nog niet zo ver en dat maakte dat die toupet met  een soort duct tape werd bevestigd op het hoofd van mijn pa. Die tape bevond zich op een drietal plakpunten in die toupet. Naarmate de dag vorderde, ging dat tape irriteren en krabde hij regelmatig op en achter zijn hoofd. Dit veroorzaakte dan een soort van theater-gordijnopening achterop zijn hoofd. Naarmate mijn broers en ik ouder werden, gaven we mijn vader steeds minder vaak aan dat hij zijn haar moest fatsoeneren.

Wij werden wreder in de jaren die volgden. Mijn vader was ijdel en wilde niet dat iemand, buiten de familie, hem zonder haar zou spotten. Als hij in de avond moe en voldaan op de bank plofte, trok hij als eerste zijn toupet van zijn hoofd. Na een uitgebreide krabbeurt op zijn bol, legde hij het toupetje op de salontafel. Het was voor ons pure topsport wie het toupetje als eerste kon pakken en verstoppen. Als de deurbel ging, greep mijn vader direct naar de salontafel waar uiteraard niets meer lag. Dan riep hij boos “Waar is mijn haar!”. Hij deed de deur niet open en sprintte naar de wc om daar te blijven totdat de persoon die voor de deur stond weg was.

Helaas heb ik al meer dan dertig jaar geen contact met mijn vader (zijn keuze). Toch heb ik hem eens opgezocht toen ik net dertig jaar was, onder het motto wat wil ik nog vragen nu hij nog leeft (hij, 86 jaar, leeft nog steeds). Het eerste wat mijn vader zei toen ik binnenkwam, was het volgende: “Kijk dan, kijk dan, ik heb nu echt haar van een donau”. Huh, een donau? Wat is dat nu weer. Mijn vader bleef maar trekken aan zijn haar en toen daagde het. Wat hij bedoelde te zeggen was een donor. Hij had haar gekregen van een donor en het stond zo vast als een huis. Daar kon met gemak windkracht twaalf overheen. Van ooggetuigen weet ik dat, tot op de dag van vandaag zijn haar nog steeds onberispelijk zit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Volgende
Vorige