Dood is het laatste

‘Dood is het laatste’, zei iemand, die zijn vrouw is verloren door een hersenbloeding. Hij zei dit na het horen van de klaagzang van mijn broer en mij over de toestand van onze moeder. ‘Jullie kunnen haar nog ruiken, horen en zien; dat is zoveel waard’, was zijn eindpleidooi. Iemand anders zei, ‘Ze is nu nog warm hè’. Ze hebben allebei gelijk maar tegen welke prijs? Mijn moeder is allang uitgecheckt. Ik zie licht branden in haar ogen maar er is niemand thuis. Is het dan gek dat je kunt verlangen naar de dood van die ander?

Ik praat hierover met mijn broer die, in tegenstelling tot mij, mijn moeder elke dag bezoekt. We zijn het er samen over eens dat dit geen kwaliteit van leven is. Maar wie zijn wij om te bepalen dat haar leven moet stoppen?

Mijn broer mag iedere dag weer mijn moeder vertellen dat ze nooit meer kan lopen, zitten of vast voedsel kan eten. Het voelt als de film “Groundhog day”: daarin beleeft de hoofdrolspeler steeds dezelfde dag opnieuw, net als mijn moeder. Is dat kwaliteit van leven?

Daar waar ze met haar sterke lijf, kort na haar hersenbloeding besloot om langer bij ons te blijven, laat datzelfde lichaam het steeds vaker afweten. Mijn moeder wint met gemak het ziektekwartet. Een greep uit haar huidige lichamelijk ongemakken zijn: oorontsteking, blaasontsteking, gordelroos, luieruitslag (ook dat nog, ja), overal slechte huidconditie, oedeem aan haar hand, zwelling aan nagels en ga zo maar door. De pijn is soms ondragelijk en wij staan machteloos langs de kant. Mensonterend om zo de winter van je leven te slijten. De kwaliteit is ver te zoeken.

Haar lichtpuntje is een beertje dat ik zag zitten op een stoel in haar huis. Die nam ik mee met het idee om haar kamer in het verpleegtehuis gezellig te maken. Maar gezellig heeft ze het niet met dat beertje. Nee, ze vecht met hem samen tegen haar demonen. Een fikse hersenbloeding brengt achterdocht en samenzwering met zich mee. Zodoende vecht mijn moeder tegen gespuis en geteisem. Moe is ze ervan, vertelt ze me vandaag. ‘Ik ben zo moe van al dat vechten. Wanneer houdt het op?’ De tranen wellen zich op in haar ogen en ik weet het ook even niet meer. “Mam, als je niet meer wil vechten dan mag je het laten gaan hoor’. Ze pakt het beertje op en smijt het richting de grond. ‘Ik ben er nu inderdaad wel klaar mee. Kom, pak mijn hand vast, dan gaan we eruit en dan wil ik naar huis.’ Als ik meld dat ze niet kan lopen, wordt ze woest. ‘Wat denk jij wel? Natuurlijk kan ik lopen. Die beer kan echt niet alles alleen. Vannacht liep ik ook hoor, heel hard achter die verrekte beer aan. Kom, trek me eruit!’

De verwarring wordt met de dag erger. Toch ben ik blij dat ik haar kan aanraken en ruiken (al is dat niet altijd even fijn). Dood is het allerlaatste. Dan is het voorbij. Over- en-uit. Niet dat ik nu nog met haar kan bespreken wat mij dwars zit. Toch kunnen we praten, al is het maar over hoe lekker het eten is, hoe leuk ze mijn vest vindt of dat ik teveel met mijn neus in de telefoon zit. Is dat dan haar kwaliteit van leven?

Dood is het laatste maar misschien ook wel het beste voor haar en ons. Voor het zo ver is, blijf ik trouw komen en geniet ik van onze bonustijd. Tot de dood haar komt halen omdat de kwaliteit niet langer toereikend is.

 

 

 

Vorige