scènes uit een verpleegtehuis

‘Twee handen gebruiken! Kijk nou uit! Je gaat zo knoeien.’ Dit en meer vuurt mevrouw B af op mijn moeder. Plaats delict is de eettafel in het verpleegtehuis. Hoe goed de bedoelingen ook zijn van haar medebewoner, mijn moeder ziet dit anders. ‘Jij moet niet zo mauwen’, roept ze. Gelukkig zijn de meeste bewoners zo doof als een kwartel dus de boodschap bereikt de overkant van de tafel niet. Dit is slechts een klein onderdeel van de conversaties die plaatsvinden tijdens een lunch op de afdeling van mijn moeder.

‘Heb jij ook van die vieze Hongaarse groenten?’, hoor ik mevrouw D aan haar buurvrouw vragen. Voordat die buurvrouw haar kan voorzien van een antwoord, vraagt de voedingsassistente wat er hand is. Ik zie dat de dame D zich betrapt voelt en met een hoog stemmetje vraagt wat het voor groenten zijn. De voedingsassistente zegt dat het gaar bete groenten zijn. Als gebeten door een wesp veer ik op en zeg, ‘Oh, je bedoelt beetgaar?’. Ja die bedoel ik, zegt ze, zonder te verblikken of verblozen. ‘Die lust ik niet’, meldt mevrouw D weer. ‘Ik ook niet’, piept haar buurvrouw die er nog aan toevoegt dat ze aardappelen niet lekker vindt. ‘Dan moet je dat melden’, is het antwoord van de voedingsvrouw. ‘Dat heb ik gedaan’, fluistert de vrouw nu. ‘Wat zei je daar, mevrouw J?’, vraagt de eetgoeroe op schelle toon. ‘Niks’, zegt J. In stilte eten de bewoners verder.

Ondertussen voer ik mijn moeder haar middagmaal en heb een prima overzicht van alle bewoners aan tafel. Ze moeten allemaal twee weken van tevoren hun keuze doorgeven anders is er natuurlijk geen beginnen aan. Het eten komt verpakt in bakken en wordt in een grote magnetron geschoven. Op de verpakking is terug te lezen wat erin zit en door de lijst te checken weet de voedingsdame van wie wat is. Gewapend met hun slab eten de bewoners hun zelfgekozen maaltijd op. Ik prak de lunch voor mijn moeder en vork of lepel het bij haar naar binnen.

‘Heb jij al een toetje gehad?’, vraagt mevrouw D weer aan buurvrouw J. ‘Ja, dat hebben we net gehad’. ‘Oh, maar waarom heb ik niets gehad?’, vraagt ze. De voedingsdame is snel ter plaatste en vraagt wat er is. ‘Mevrouw D, u kunt toch ook vragen om het dessert. U heeft toch een mond gekregen om te praten of niet dan?’ Mevrouw D mompelt wat. ‘Ik kan u niet verstaan’. ‘Ik wil graag een toetje’, zegt ze ineens luid. ‘Ik heb nog niets gehad.’ Het dessert wordt bereid en in no time is het schaaltje leeg.

Het lijkt wel een kleuterklas. Iedereen heeft commentaar op een ander en schuwt het uiten hierover niet. Decorumverlies heet dit. Alles wat wij nu niet zeggen of hardop uitspreken doen de medebewoners en mijn moeder wel. Maar of het zo’n bevrijdend effect heeft dat durft ik niet te zeggen. Als de lunch erin zit, rij ik mijn moeder in haar rolstoel terug naar haar kamer. Ik passeer de kamer van haar buurman die rustig in zijn eentje zijn lunch verorbert. Gelijk heeft ie, denk ik.

Mijn moeder pruttelt nog na over die stomme mevrouw B die ALTIJD iets op haar aan te merken heeft. Als ik haar uitleg dat ze het goed bedoelt en maar liefst negen kinderen heeft gehad zegt mijn moeder, ‘Nou en, ik ben haar kind toch niet. Blij toe zeg, poeh ik mag niets van haar. Gelukkig heb ik mijn eigen moeder nog. Die is niet zo streng. Ik ga naar huis naar mijn moeder.’ Tevreden kijkt ze mij aan, ik heb het hart niet om haar tegen te spreken.

 

Vorige