Schrijfles van Susan

‘Ik heb het nog nooit gedaan dus ik denk wel dat ik het kan’ Dit motto van mijn jeugdheldin Pippi Langkous neem ik graag ter harte. Ik ben begonnen met schrijven zonder enige vorm van scholing in die richting. Niet omdat ik het niet wilde leren hoor, het is er gewoon nooit van gekomen. Tot een maand geleden.

Eind vorig jaar kreeg ik een tip van oud- collega B dat Susan Smit schrijflessen ging organiseren bij haar thuis. Ik ben direct in de pen geklommen en heb haar gemaild dat ik wel wilde aanschuiven bij deze masterclass. Eind januari van dit jaar toog ik naar de hoofdstad om bij Susan aan haar keukentafel, tegen een schappelijke vergoeding, alle kneepjes van het schrijfvak te leren.

Bij aankomst was ik niet de eerste (ik was bezig veertig rondjes te lopen op de gracht omdat ik veel te vroeg was en toen vergat ik de tijd en kwam ik alsnog bijna te laat binnen) maar werd met gepast enthousiasme door Susan (ik mag dat nu zeggen) ontvangen. Ze had koffie met gebak; wat wil een schrijver nog meer. De club was snel compleet en bestond uit acht vrouwen en slechts een man. Eerst volgde er een voorstelrondje. De dames waren bijna allemaal gescheiden en nog niet zo lang. Ook was de spiritualiteit sterk vertegenwoordigd. Ik was even vergeten dat Susan een zelfverklaarde heks is, schrijft voor het blad Happinez en spiritualiteit omarmt. Daar komen dan ook gelijkgestemden op af. De man en ik waren a) niet gescheiden en b) hadden weinig met spiritualiteit op dat moment.  Ik was dan ook reuze benieuwd naar het schrijfwerk van de vrouwen maar in het bijzonder naar die van mijn buurman.

Susan trapte af met haar wijze schrijflessen. Ik vond het machtig leuk en leerde dat ik het best aardig deed en ook nog veel kon verbeteren. Het was voor mij daar al een geslaagde dag.  Na haar monoloog gaf ze ons de opdracht om een kort verhaal van maximaal duizend woorden te schrijven. Daarin moest in ieder geval de zin komen, ‘Voor hem/haar ben ik teruggekomen’.

Mijn hoofd bruist altijd dus ik typte er lustig op los. Om mij heen zag ik de dames her en der verspreidt in het Amsterdamse huis. De een zat op de bank in een denkpose en de ander liep heen en weer. Waarschijnlijk op zoek naar inspiratie. Na een minuut of twintig gaf Susan aan dat we moesten stoppen en ons verhaal aan de persoon links van ons geven. Die mocht het lezen en feedback geven. Ik mocht het stuk van de man lezen, het was een young adult verhaal. Mooi geschreven en smaakte naar meer. Mijn verhaal kwam terecht bij een ras Amsterdamse die, zo zei ze zelf, het moeilijk vond om mijn stuk te lezen omdat ze nog in haar eigen stuk zat. Had ik dat weer. Gelukkig mocht ik het zelf voorlezen.

Susan reageerde positief en moest lachen om mijn stijl die ik volgens haar wel had. Schrijftechnisch deed ik het ook niet onverdienstelijk. Kortom, de veren vlogen mijn achterste in. De teksten van de meeste dames waren autobiografisch en gevuld met boosheid over de ex-partner. Daar kun je nooit genoeg boeken over schrijven, toch? Susan vroeg ons het verhaal af te maken en naar haar te sturen over uiterlijk drie weken. Nou, dat is een makkie dacht ik. De dames vonden het wat kort en wilden er nog een week bij?

Susan gaf ons nog als idee mee om het verhaal aan iedereen te sturen aangezien we allemaal in dezelfde fase zaten. Ik vond dat gelijk al een slecht idee dus heb ik mijn verhaal twee weken geleden naar haar alleen gestuurd. Zij gaat dan feedback geven. Ik kan niet wachten! Kun jij ook niet wachten? Komt goed uit want onder de foto van Pippi tref je de versie aan die ik naar haar heb gemaild. Het verhaal is stiekem ook wel autobiografisch maar hier en daar heb ik de waarheid verdraaid. De ontmoeting heeft overigens nooit plaatsgevonden.

Laat je mij weten wat je ervan vindt? Dat zou ik leuk vinden.

Liefs,

Chantal

l

Voor jou ben ik teruggekomen

Hoelang is het inmiddels geleden; twintig jaar, dertig jaar? Ik ben de tel kwijt of ik heb het zo ver weggestopt dat de jaren geen getallen meer hebben in mijn herinnering. Dat deel van mijn leven heb ik gecompartimenteerd zoals ik met meer gebeurtenissen doe. Het houdt de boel overzichtelijk en geeft ruimte in mijn bestaan. Anders word ik stapelgek: als ik dat al niet ben.

Ik zoek naarstig in mijn zakken naar mijn sigaar om de kalmte te kunnen bewaren. Straks staat ze hier voor mijn neus dan moet ik haar bijna consumeren. De kans is klein dat we elkaar na vandaag nog een keer treffen. Ah, daar is mijn sigaar. Ik laat mijn hand in de binnenzak van mijn colbert glijden en tref daar een luciferdoosje aan. Ze zijn moeilijk te krijgen tegenwoordig: luciferdoosjes. Aan een aansteker wil ik niet. Ik heb behoefte aan het geluid dat de lucifer maakt als het contact krijgt met de zijkant van het doosje. Het moment dat het luciferkopje ontbrand is magisch. Hier heb ik de regie over het hoe en wanneer, dat de lucifer alleen vlam kan vatten als ik de lucifer over de zijkant van het doosje strijk.

Ik steek mijn sigaar aan en loop naar de zijkant van de bibliotheek waar we hebben afgesproken. Hier kan ik rustig nog een trek nemen zonder die afkeurende blikken van de wandelende antirooklobby.

Hoe oud is ze nu? Hè, die getallen ook, ik kan er niets mee. Mijn eigen leeftijd meet zich tegenwoordig niet meer zo graag aan anderen. Zou ze vijftig zijn? Wat heb ik dan allemaal gemist wat haar beroerd heeft? Ik weet het antwoord wel maar durf het niet te denken. Bang voor het effect op korte termijn. Het heeft me jaren gekost om na het verlies van Maurice mijn bovenkamer weer te vullen met licht. Het peertje is inmiddels gedimd tot een paar laffe stralen. Ik ben te beroerd om de lamp te vervangen. Voor wie en voor hoelang nog?

Zie ik haar daar lopen? Nee, dat kan ze niet zijn. Die vrouw is te lang. Wie ben ik nog om haar formaat op waarde te schatten.

Mijn lengte is gekrompen waar ik bij stond. Waarschijnlijk is er vijf centimeter af en het stopt niet bij dat getal.Dus ik ben de laatste om haar hoogte nauwkeurig te bepalen sinds de zwaartekracht mij heeft ingehaald. Toch kan ze niet al te groot te zijn. Wat zeggen ze ook alweer? Je neemt de lengtes van beide ouders, deel die door twee en tel er bij een meisje acht centimeter op?

Ik loop weer terug richting de hoofdingang van bibliotheek. Terwijl ik om mij heen kijk, trek ik mijn jasje recht. Ik ben zenuwachtig en merk dat alles in mij zegt; ‘Ga weg nu het nog kan’. Waarom zou ze voor mij terugkomen? Ik heb haar al jaren in de steek gelaten. Toch belde ze mij een paar dagen geleden. Rita was even boodschappen doen anders neemt zij direct de telefoon op. Ik was stomverbaasd en herkende haar stem in eerste instantie ook helemaal niet. Ze spreekt anders dan ik, geen dialect bijna bekakt. Ze wilde me zien, zei ze. Gewoon omdat het moet, voegde ze eraan toe.

Op de klok die in de bibliotheek hangt zie ik dat ze te laat is. Duidelijk geen dame die op tijd komt, haha. Ik hoor mezelf lachen. De schaamte voorbij dat is wat ik ben. Lachen om mijn eigen infantiele grapjes. Rita lacht allang niet meer om of zelfs naar mij, dan doe ik het zelf maar.

Oud worden is verre van geestig maar het laten vallen van het keurig opgebouwde decorum vind ik zalig. Alle mindere eigenschappen kruipen weer uit hun holen en spelonken en die geef ik vrij spel. Wat heb ik te verliezen? Niets. Ik heb alles al verloren alleen besefte ik dat te laat. Ze was mijn leven al uitgelopen. Ze kan niet ouder dan zeventien zijn geweest. Een kleine opdonder met een grote mond die de wereld ging veroveren. Zou dat haar gelukt zijn?

Het is frisser dan toen ik van huis vertrok. Ik loop heen en weer om een beetje warmte te genereren. Ze is nu al vijftien minuten te laat. Misschien komt ze niet meer? Dat zou ik haar niet eens kwalijk nemen. Ik had beter moeten weten, toen. Ik had niet het recht om haar weg te jagen maar de plicht om haar bij mij te houden. Haar te beschermen tegen de grote soms broze wereld.

Als ze er over vijftien minuten nog niet is, ga ik terug naar huis. Waar heb ik dat papiertje gelaten? Ik voel in mijn jaszakken, sigaren, lucifers, muntjes maar niet het briefje met de treintijden. Autorijden in het dorp is geen probleem, de snelweg wel.

Zij wilde in haar geboorteplaats afspreken anders ging de afspraak niet door. Voor mij is deze plek een aaneenschakeling van herinneringen die ik nooit heb beleefd. Verjaardagen die ik niet gevierd heb. Kinderen die ik niet ken. De laatste wel beleefde herinnering was zwart. De begrafenis van Maurice. Het was prachtig weer, de kerk zat ramvol en de muziek klonk schel. Boos was ik, boos op alles en iedereen. Daar is de vervreemding gestart. Haar gelach tijdens de koffietafel stoorde me. Hoe durfde ze te lachen op die verdrietige dag. Maurice was mijn alles nadat zij koos voor die ander. Hij was mijn zoon. Na zijn dood hoefde het voor mij niet meer. Ik dronk en dronk totdat Rita mijn leven binnen wandelde en mij weer overeind trok. Dat is nu meer dan dertig jaar geleden. De pijn is doffer maar kan onverwachts opvlammen.

Ah, ik tref het verfrommelde kattebelletje aan in mijn broekzak. Ik laat het kladje zitten en klop op de zak alsof ik mezelf een geheugentraining wil geven. Tien minuten nog te gaan voordat ik vertrek. Zal ik nog een sigaartje doen?

‘Papa’, hoor ik achter mij. Ik draai mij om en kijk recht in de ogen van mijn dochter. Voor haar ben ik teruggekomen.

 

Volgende
Vorige