Tot de volgende keer maar weer!

‘Ik wacht al dagen op je’, zegt mijn moeder. ‘Je had beloofd om te komen maar je kwam maar niet’. Boos is ze omdat ik haar heb laten zitten. Ze moet huilen. Waar bleef ik nou toch, blijft ze herhalen.

Mijn moeder heeft een hersenbloeding gehad aan haar rechterhersenhelft. Ook haar frontale kwab; de grootste kwab van de hersenen, is behoorlijk aangetast. Hierdoor heeft ze moeite met herinneren; soms weet ze niet meer dat er iemand op bezoek is geweest. Haar geheugen is stuk en een reparatie is niet meer mogelijk. Daar waar in je linkerhersenhelft je spraak en taal zit, heeft rechts weer andere kwaliteiten. Rechts zorgt voor planning, organisatie, het oplossen van problemen, het nemen van besluiten, impulscontrole, selectieve aandacht en het beheersen van gedrag en emoties. Al die punten ontbeert mijn moeder in meer of mindere mate.

Sinds haar ontslag uit het ziekenhuis verblijft ze in een verpleegtehuis. Daar wordt hard gewerkt aan het optimaliseren van de uitgevallen functies. Doordat de hersenbloeding haar rechts trof, is ze verlamd aan haar linkerkant. Haar linkerarm en been reageren nauwelijks. Elke dag zet een fysiotherapeut mijn moeder rechtop in bed in de hoop dat ze, met ondersteuning, rechtop kan blijven zitten. De logopediste traint mijn moeders slikfunctie die niet naar behoren werkt. Hierdoor kan ze alleen maar gepureerd voedsel eten anders stikt ze. ‘Opgewarmde troep’, vindt mijn moeder het en ik kan haar geen ongelijk geven. Haar ruimtelijk inzicht is ook de weg kwijt; ze kan haar lepel met eten niet altijd rechtstreeks in haar mond krijgen. Er is altijd wel sprake van een omweg. Mijn moeder kan, zoals ze zelf nu ook vaker roept, niks alleen.

‘Waarom kun jij wel lopen en ik niet?’, vraagt ze me nadat haar boosheid is weggeëbd. Dit zijn de momenten waarop ik mij het meest onmachtig voel. Met tranen in mijn ogen vertel ik haar nogmaals wat er is gebeurd. Soms is ze dat namelijk ook vergeten. Ze vergeet waar ze is en dat haar tweede man al vijftien jaar dood is. Ze vergeet dat mijn broer al 33 jaar geleden is begraven. Ze is verdwaald in haar eigen geheugen. Dagenlang kan ze blijven hangen in een bepaalde herinnering die ze voor even weer heeft gevonden.

Verrassend is het wel dat ze tussen haar verdriet en afwezigheid door, kan lachen en dan echt hardop. Het lied, Ik heb een heel zwaar leven, van Brigitte Kaandorp maakt haar altijd aan het lachen, terwijl de ironie er natuurlijk vanaf druipt. Met een lach rond haar mond laat ze zich elke dag in en uit haar bed takelen. Ze dolt met het verplegend personeel maar kan ze ook een veeg uit de pan geven( zie beheersing van gedrag en emoties).

Als we door de eerste tien minuten van het bezoek heen zijn, lijkt ze wat te ontspannen. Ik rij haar, in haar rolstoel naar de grote woonkamer waar meerdere bewoners zich hebben verzameld. ‘Zet mij maar naast die meneer daar’, zegt ze,’ die vind ik leuk’. Ik zet haar naast een man die voorovergebogen zit in een muziekboek van een stuk van Chopin. Als hij ons waarneemt begint hij te praten. Net als mijn moeder herhaalt hij wat ik al meerdere keren heb gehoord. ‘U leest in een boek woorden die het verhaal vormen op uw netvlies. Ik lees de noten en hoor de muziek in mijn hoofd’, zegt hij. Dan vertelt hij verder dat hij het conservatorium succesvol heeft afgerond en dat zijn twee zonen ook musicus zijn. Op mijn vraag wat die zonen dan doen, antwoordt hij dat hij het conservatorium heeft gedaan en dit blijft hij herhalen. Hij is stokdoof. Als de verpleging aan hem vraagt of hij komt eten , antwoordt keihard: ‘Leuk, moet je doen’. Ik maak hem duidelijk dat hij kan komen eten. ‘Oh, heb ik dat niet net al gedaan?’, vraagt hij. Dan staat hij op, zegt gedag en loopt richting zijn eettafel. Ik rij mijn moeder de andere richting op, naar haar eettafel.

Nadat ik mijn moeder heb geholpen met eten, gaan we nog even het balkon op. Dik ingepakt snuift mijn moeder de frisse lucht op en moet weer huilen. Zoveel ‘waarom’ vragen waar ik ook geen antwoord op heb, passeren de revue. Dan geeft ze aan dat ze naar binnen wil. Als ze in het voorbijgaan iemand afscheid hoort nemen met de woorden, ‘Tot de volgende keer maar weer’, krijgt ze het weer te kwaad. ‘Dit doe jij ook altijd, tot de volgende keer en dan ben ik weer alleen.’ Wat ik ook zeg, niets verdrijft het verdriet van dat moment. Als de verpleegkundige binnenkomt en mijn moeder weer in bed takelt, is het leed alweer geleden. Ze heeft namelijk de aandachtsspanne van een goudvis.

‘Ik ga lekker slapen’, roept ze. ‘Doe je voorzichtig met de auto, kind? Ik ben blij dat je geweest bent’. Ik geef haar een knuffel en voordat ik de kamer uit ben, is ze al vertrokken.

Tot de volgende keer maar weer!

Volgende
Vorige